Als animalier (dierenbeeldhouwer) is men steeds op twee niveau's bezig wanneer men een beeld van een dier boetseert.  Het eerste is zorgen dat de anatomie klopt.  De proporties, de beweging en de houding moeten van alle richtingen juist aanvoelen. 

         Het tweede niveau is de reactie op het dier.  Wat voelt men als men naar het dier kijkt,  welke indruk laat het dier na en hoe reageert men, al dan niet instinctief ?  Dat kan gaan van "Hoe lief !" bij het zien van een pup, tot terugdeinzen en een drang tot vluchten voelen als een leeuw zich in volle woede zich tegen de tralies werpt. 

          Deze introspectie is al belangrijk bij het uitkiezen welk dier en welke houding men gaat boetseren.  Terwijl het beeld wordt gevormd, is contact houden met het innerlijke van belang, opdat het beeld dezelfde gevoelens, indrukken en -zelfs- reacties oproept bij de toeschouwer.

           Eigenlijk zijn het al die ervaringen, die ik als dierenoppasser in de Zoo van Antwerpen constant ervaar, die me tot beeldhouwen hebben geleid.  De eerste principes heb ik geleerd van Ronald De Winter, die regelmatig kwam boetseren in de Zoo.  Later heb ik mijn techniek verfijnd op de Academie van Berchem.

          Er zijn verschillende stadia, vooraleer een beeld staat.  Men begint met een armatuur te lassen in ijzer, te vergelijken met het skelet van een dier.  Zoals de spieren en de huid vasthangen aan het skelet, zo wordt de klei rond de armatuur geboetseerd.  

Wanneer het kleimodel af is, wordt er een moule, bestaande uit siliconen en plaaster, in delen rond gevormd.  Wanneer het model volledig bedekt is, worden de delen van de mal er afgehaald. 

          De mal is te vergelijken met het negatief van een foto, waarmee verschillende afdrukken, in het geval van het model afgietsels, kan gevormd worden.  Ook een afgietsel van was, dat naar de bronsgieterij gaat om volgens de cire-perdue-techniek een bronzen beeld te gieten.